Vanaf de 15e eeuw worden prenten gedrukt met gebruik van stempels. Hiertoe is hout nodig en in dit materiaal wordt een voorstelling gegraveerd. Vervolgens wordt deze afgedrukt en ingekleurd.
In de 19e eeuw ondergaat de techniek uitbreiding en komen er grote vellen papier met daarop een kort stripverhaal. Zo’n vertelling toont een aantal kleine afbeeldingen met daarbij enige woorden. Ook komen prenten voor met slechts één grote beeltenis en daarbij een tekst. Dit is een heel goedkope wijze van het vertellen van verhalen. Hierdoor groeit de oplage en de stripverhalen worden in grote hoeveelheden vervaardigd. Hoe hoger de oplage, des te lager de prijs per exemplaar en hier komt de naam “centsprent” vandaan. Het zijn dus “prenten voor een cent” en in het Frans is dit “images à un sou” (afbeelding voor een cent). De officiële benaming van de prenten is “Images d’Épinal”, want het Franse Épinal is de bakermat van de centsprenten.
De centsprenten blijken van educatieve waarde voor de gehele bevolking, omdat ook mensen met een kleine beurs zich een prent kunnen veroorloven. De prenten maken verhalen duidelijk aan alle klassen van de maatschappij, ook al beheerst iemand de taal niet goed. De centsprenten brengen vertellingen in beelden en woorden van beroemdheden, dieren en heiligen, zoals Sint-Nicolaas.
~~~